Dit is de eerste aflevering van mijn nieuwe onderwijsserie ‘Schooljutten’. Een variant op strandjutten. In het land op zoek gaan naar ‘aangespoelde ideeën’. Mooie voorbeelden uit de dagelijkse onderwijspraktijk.

In deze aflevering staat Jos Baijens, docent Nederlands op het Beatrix College in Tilburg, centraal. Met als thema motiverend onderwijs. Zonder toeters en bellen. Gewoon in een klaslokaal met 30 tafels in een bus-opstelling. Een lesbezoek dat mede tot stand kwam door Arnon Grunberg, de held van Jos.

Toevallige ontmoeting
“Ik zou, uitzonderingen daargelaten, niet op het onderwijs vertrouwen. De leerfabriek is voor veel goed, maar stimuleren en inspireren komt er zelden van.” Dat schreef Arnon Grunberg in VOETNOOT op de voorpagina van de Volkskrant. Net als bij het WK-voetbal – dan zijn er 16 miljoen bondscoaches in Nederland – heeft iedereen een mening over onderwijs. We zijn immers allemaal ervaringsdeskundigen. Ook Arnon. We hebben allemaal op school gezeten. Vaak letterlijk gezeten.

Ik dacht: ja Arnon, ik herken wat je schrijft. Maar er zijn ook goede voorbeelden in het land. En ik bleek daarin niet de enige te zijn. De volgende dag las ik de ingezonden brief van Jos. “Ons onderwijs stimuleert en inspireert enorm, iedere dag opnieuw. Vraag het mijn leerlingen. Kom maar eens kijken, als je durft. Of beter: geef maar een paar lessen mee, dan zul je zien.”

Deze reactie triggerde mij. Ik mailde Jos: “Ik ben dan wel geen Arnon Grunberg. Maar ik ben wel geïnteresseerd in mooie voorbeelden van motiverend onderwijs.” Op mijn vraag of ik eens bij hem mocht meelopen, zei Jos direct ja. En zo is het gekomen …

Wegwijs in een grote school
Het Beatrix is een openbare middelbare school met ongeveer 2.600 leerlingen. Een grote school, bestaande uit diverse gebouwen. Ik wist dat ik in gebouw B moest zijn. Maar ja, als dat niet op de buitenkant staat, welk gebouw is het dan? Ik dacht: zo’n arme brugklasser, wat kan die zich hier op zijn eerste schooldag compleet verloren voelen.

Er was maar een oplossing: vraag het een leerling. De eerste die ik aansprak, zat niet op het Beatrix College. Het was bijna pauze. Die stond daar met een andere reden. Welke laat ik even in het midden. De tweede leerling die ik aansprak, wist het gelukkig wel. Bij binnenkomst in gebouw B werd ik al opgewacht door de conciërge. “U bent vast mevrouw Koot. Loopt u maar even mee.” Die goede conciërge. De spil in de organisatie. De ogen en oren van de school. Iedereen in het onderwijs weet dat je die te vriend moet houden. Hij bracht mij naar lokaal B005 waar Jos al op mij wachtte.

Mijn eerste indruk
Ik kwam het lokaal binnen en zag: 30 tafels, 30 stoelen, 1 docent en een digibord. Tafels in een rijtje achter elkaar. De klassieke opstelling in het onderwijs. Die ken ik nog uit mijn eigen schooltijd. Een opstelling waarin ik maar weinig motiverende lessen gevolgd heb. Mijn eerste reactie was verwondering. Gevolgd door nieuwsgierigheid. Motiverend onderwijs in een busopstelling. Als je dat lukt, dan kom je van goeden huize (en dat komt Jos). Mijn interesse was gewekt. Hier zat ik goed. Dit levert mooie input op voor mijn eerste aflevering van ‘Schooljutten’!

Motiverende lessen
De lessen startte met het ‘Nieuws van de Dag’. Na een korte nieuwsflits, waarin een leerling iets vertelde over een onderwerp uit de media dat zijn of haar interesse had, nam Jos het stokje over. Via een onderwijsleergesprek volgde een gesprek met de klas over dit nieuwsfeit. Een activerende werkvorm, al snel gevolgd door de volgende. Dus geen uitgebreide theorie maar direct bij de start lekker aan de slag. Met leren debatteren in de ene klas, en het schrijven van een column in de andere klas.

Voor het debat gebruikte Jos de werkvorm ‘de luchtballon’. Je bent op weg in een luchtballon. De mand blijkt te zwaar. Dus er moet iets (een voorwerp) uit. Vijf leerlingen vertelden waarom zij vonden dat zij als voorwerp in de ballon moesten blijven, en de anderen niet. Na twee debatrondes koos de klas de uiteindelijke winnaar van het debat. Alle leerlingen waren bij deze opdracht betrokken. In diverse rollen: debater, feedbackgever en (in de 2e ronde) aangever van extra argumenten. Deze werkvorm kon zo ingezet worden omdat er een goede sfeer in de klas hing. Het was er veilig, iedereen mocht er zijn. Een leerling die het eerst eng vond om als debater voor de klas te staan, werd bemoedigend toegesproken door Jos.

In de andere klas schreven de leerlingen een column. Qua onderwerp hadden zij keuzevrijheid. Ook hier weer geen uitgebreide theorie maar snel aan de slag. Naast het schrijven, beoordeelden de leerlingen elkaars werk. Op taal en inhoud. Per rij moest één column overblijven. De column die de rij als collectief het beste vond. Deze werd ingezonden naar de klassikale eindstrijd. Jos las de drie columns klassikaal voor, zonder namen van de oorspronkelijke schrijvers te noemen. Het was immers nu het eindproduct van de rij geworden. De klas bepaalde uiteindelijk de column die als beste uit de bus kwam. Saillant detail, dit werd de column waarin Jos in zijn rol als leraar op een humoristische manier op de hak genomen werd. Het feit dat leerlingen zo’n column durven te schrijven en deze door Jos lachend werd voorgelezen, kon maar een ding betekenen. In deze klas hing een veilige en prettige sfeer. Tot stand gebracht doordat Jos zijn leerlingen kent, stimuleert, confronteert en enthousiasmeert.

Welke lessen wil ik je meegeven in deze aflevering?
Voor het motiveren, stimuleren en inspireren van leerlingen, maakt het niet uit in welke opstelling de tafels en stoelen in de klas staan. Wat hiervoor alles bepalend is, is de rol van de docent. Leerlingen motiveer je door de juiste voorwaarden in de klas te scheppen. Ik noem deze voorwaarden ‘Motivatiemotoren’. Drie zaken die niet mogen ontbreken in het onderwijs.

Motivatiemotor 1: Relatie gaat voor prestatie
Ken je leerlingen bij naam. Vanaf de eerste les die je aan hen geeft. Het lijkt een open deur. Maar ik weet uit ervaring dat dit helaas niet altijd het geval is.

Wees oprecht geïnteresseerd in je leerlingen. Verdiep je in wat hen bezighoudt naast school. Knoop eens een toevallig gesprekje aan over iets wat je opvalt. In de les, op de gang of tijdens een excursie.

Leerlingen willen aandacht voor wat zij kunnen en wie zij zijn. Van docenten die vriendelijk, rechtvaardig en betrouwbaar zijn. Die hen zien staan. Want als de ‘Bluetooth’ tussen jou en de leerling niet aanstaat, dan kun je ‘lullen als Brugman’, maar wordt er niet geleerd.

Motivatiemotor 2: Variatie zorgt voor motivatie
Spreek meerdere zintuigen aan. Laat leerlingen niet alleen (naar jou) luisteren, maar ook schrijven, vertellen en vooral doen!

Zorg dat er iets te kiezen valt voor de leerling. Of en met wie hij samenwerkt, welk eindproduct hij oplevert, de plek (binnen of buiten de school) of het moment waarop hij iets doet.

Geef ruimte aan eigen initiatief. Vraag leerlingen gewoon wat zij interessant vinden. Of hoe zij iets zouden aanpakken. Zie hen als serieuze gesprekspartners, jouw interne adviseurs.

Bouw eens competitie-elementen in. Tegen de tijd, tegen elkaar of gewoon tegen zichzelf. Willen winnen, dat werkt motiverend, zeker bij jongens. Zijn er ‘prijzen’ te winnen, hoe klein ook, dan gaan leerlingen eerder en harder aan de slag. Probeer het maar uit.

Motivatiemotor 3: Complimenten leidt tot talenten
Realiseer je dat hoe jij over de leerling denkt, doorwerkt in de wijze waarop je hem benadert. Ga uit van een positieve blik. Stel eisen waaraan een leerling kan voldoen en daag hem voldoende uit om te leren. Zo stimuleer en motiveer je de leerling.

Geef leerlingen de kans om regelmatig succeservaringen op te doen. Door samen je stinkende best te doen. Volgens het principe: Wat je doet, doet ertoe! En als het toch een keertje mis gaat, vergeet dan niet om een stevige dosis humor in te zetten.

Geef de leerling feedback, oprechte complimenten en durf soms ook gewoon zeggen waar het op staat. Alleen zo kan de leerling groeien en zijn zelfvertrouwen vergroten.

Kortom, om deze drie zaken draait het volgens mij in het onderwijs. Je leerlingen kennen. Oprecht in hen geïnteresseerd zijn. Weten wat hen bezighoudt. Vertrouwen geven. Hen laten ontdekken waar zij goed in zijn. Leerlingen gemotiveerd maken en houden. Door keuzes te bieden. Pubers niet alleen een leerzame, maar ook prettige schooltijd bezorgen.

En ja, ik weet het, leren hoeft niet altijd leuk te zijn. Sommige dingen moeten gewoon. Wat dan helpt is leerlingen vertellen waarom iets geleerd of gedaan moet worden. Wat hebben zij er aan? In welke context kan dit later terugkomen? Ook al zullen zij soms zelf het nut ervan pas jaren later ontdekken.